Luciamo

Luciamo woont alleen in Brussel in een klein appartementje. Hij praat graag. Luciamo werd heel jong geadopteerd door de Vlaamse vrouw van zijn vader. Hij ziet er blank uit. Pas op zijn twaalfde kwam hij te weten dat zijn moeder Afrikaans is, een metisse met Griekse, Afrikaanse en Arabische achtergrond. Hij gaat een leven lang op zoek om deze veelheid van achtergronden samen te brengen. Hij reist naar India, naar Amerika en Afrika. In Afrika vindt hij de begraafplaats van zijn moeder. Hij zoekt naar de essentie van de mensheid, voorbij de individuele verhalen.

 

Mijn geschiedenis is niet zo eenvoudig. Ik ben pas later in mijn leven beginnen te zoeken. Ik heb snel vergeten dat ik Afrikaans was. Ik werd vanaf mijn vierde jaar helemaal afgesloten van mijn roots. Mijn geschiedenis is heel apart omdat ze samenvalt met een bepaald moment in de kolonisatie. De koloniale administratie had toen beslist dat de metissen die heel blank waren, zoals ik, toch in de wijk van de metissen moesten wonen. We woonden in de streek Talli Kassi. Ik kreeg geen toegang tot de wereld van de blanken. We mochten echter in de metissenwijk geen Swahili spreken en geen Afrikaans eten meer nuttigen. We moesten ons als blanken gedragen. Op school werd ik gepest omdat ik op een blanke leek. Ik huilde en treurde. Er was in Congo ook apartheid. Men doet soms alsof dit alleen in Zuid-Afrika voorkwam.


Ik ben geboren in 1945. Mijn grootmoeder was een Bemba-prinses van een oude familie uit Zanzibar. Haar grootvader was een sultan. Deze prinses ontmoette een Griekse grondbezitter en samen kregen ze een dochter : mijn moeder. Mijn moeder was de dienstmeid van mijn vader. In zijn woning had de blanke koloniale man een dienstmeid nodig. Hij koos voor een jonge vrouw die meestal ook zijn maîtresse werd. Dan werden er kinderen geboren. Zo zijn de meeste metissen geboren. In die context worden liefdesgeschiedenissen altijd beheerst door een racistische machtsrelatie. De blanke is de meester en de zwarte vrouw is een dienstmeid. De man had de macht. Mijn moeder keek op naar de beschaafde stad van de blanken. Zo waren de mensen opgevoed tijdens de kolonisatie. Blank stond synoniem voor goed. Een dienstmeid was geen slaaf, maar toch iemand die in haar ziel geraakt was, getraumatiseerd. Blanken kwamen naar Afrika om het land en de mensen in te nemen. Er was geweld. Een zwarte werd niet beschouwd als een volwaardig persoon. Op die manier verwoestte men de zielen van de mensen. Over het algemeen hadden blanken op dat ogenblik een totaal gebrek aan empathie ten opzichte van de zwarten. Natuurlijk waren er individuen die anders functioneerden, die hun hart volgden. Ze voelden dat medemensen niet op zo een manier behandeld konden worden. Men moet dit goed begrijpen om de diepe kwetsuren te verstaan van metissen en van toenmalige zwarten in Afrika. Metissen vielen dan ook tussen alle culturen. Het was de cultuur van de beul en het slachtoffer tegelijk. Mijn vader is geboren in

1897. Hij was zevenenveertig toen ik ben geboren. Plichten waren heel erg belangrijk in die tijd. Zo was hij verplicht me te adopteren.
Ik ben dus geboren in een situatie die menselijk gezien niet te tolereren was. Een zwarte moeder kon een kind met blank bloed zogezegd niet opvoeden. De metissen werden daarom samen onder toezicht van blanke nonnen in een internaat gestopt. Je kon alleen uit die internaten ontsnappen door een huwelijk met een blanke of met een andere metis. De nonnen gingen ervan uit dat ze de beschaving brachten, dat ze zielenrust konden vinden door katholieken van hen te maken. De kinderen groeiden los van elk familiegevoel op. Ze kregen wel een wereldbeeld mee waarin zij beter waren dan hun moeder omdat ze blank bloed hadden. Ik was zelfs nog stukken beter, omdat ik er helemaal blank uitzie. Er werd tijdens de opvoeding gezorgd voor een radicale breuk met de Afrikaanse achtergrond. Die manier van denken werkt nog altijd na. Metissen willen onder elkaar trouwen of met blanken, meestal niet met zwarten. Een blanke metis is beter dan een donkere metis. Blank is beter dan zwart. Op psychisch vlak zijn die ideeën destructief. Telkens opnieuw moeten horen dat je minstens voor de helft niets waard bent, kan niet goed zijn. Dat brengt een schizofrene situatie met zich mee. Vandaag speelt dat nog altijd een rol in het zelfbeeld van veel zwarte mensen.


Ik werd van mijn moeder weggenomen vanaf mijn vier jaar. Ik leefde met een leugen tot mijn twaalfde. Het heeft geduurd tot mijn twintigste voor ik begreep welke misdaad er gepleegd was tegen mijn leven. Mijn moeder is na mij nog zwanger geweest van een ander kind. Ze was een mooie metisse. Ze had een korte relatie met een zwarte man en werd zwanger. Ze wist dat ze misschien wel een zwart kind op de wereld zou zetten en dat was een drama. Zal de blanke man haar nog willen als ze een zwart kind heeft ? Zal ze niet terug moeten gaan naar de zwarte wijk in plaats van een beter leven te krijgen ? Ze was metis en zou zich hierdoor verlagen. Ze besliste abortus te plegen en kwam terecht bij een slechte arts. Ze overleefde de operatie niet. Het feit dat ze zo bang was om een zwart kind op de wereld te zetten heeft haar het leven gekost. Mijn grootmoeder wilde op dat ogenblik haar kleinkinderen, mijn broer en ik, opeisen. Mijn vader heeft dit geweigerd. Als een zwarte vrouw een blank kind had, kon het zijn dat ze dit kind nooit meer terugzag. Dat werd een deel van de cultuur. Witte kinderen stond men af.
Toen mijn biologische moeder overleed, heeft mijn vader ons mee naar België genomen. Mijn vader had op dat moment een blanke vrouw die in België woonde. Ze hebben ons geadopteerd. Mijn vader had eerst gesproken met zijn vrouw. Ze kon geen kinderen krijgen. Ze was zeer katholiek, ook in de negatieve betekenis van het woord. Ze dacht dat ze haar ziel kon zuiveren door ons, de kinderen van de zonden van haar man, op te voeden. Mijn broer en ik zijn in België aangekomen in 1949. Ik was vier jaar. Mijn broer was zestien maanden ouder. Ze nam onze religieuze opvoeding op zich. Ze beschouwde zichzelf als een heilige martelares door ons te adopteren. Over mijn moeder werd nooit gesproken, ik denk dat mijn stiefmoeder eigenlijk jaloers op haar was. Mijn moeder was immers jong en mooi. Maar in de ogen van mijn stiefmoeder hoe dan ook zondig en onbeschaafd. Gelukkig voor haar zagen we er redelijk blank uit en kon ze doen alsof we haar kinderen waren. Zo werd het probleem weggemoffeld. Ze wilde ons afsnijden van onze achtergrond en doen alsof ze onze echte moeder was. Er werd nooit meer over gesproken, er was nergens een foto van mijn echte moeder. Mijn vader was geen grote prater en was niet zo trots op zijn verleden in Afrika. Hij zweeg dus en liet zijn vrouw begaan.


Na mijn aankomst in België werd ik een blanke en heb ik geleefd als een blanke. Ik had geen Afrikaans uiterlijk en werd door iedereen ook behandeld als een blanke. Mensen zagen het niet. Ik ben ook geen halfbloed. Mijn moeder was al een metis met een Griekse vader en mijn grootmoeder had ook Arabisch bloed. Het is moeilijk om hier in Brussel anderen te vinden zoals mij. Mijn ervaring is anders dan die van halfbloeden. Ze zijn meestal heel erg zichtbaar. Bij mij is niets herkenbaar. Als ik metis ben, is het een innerlijke houding. Ik kan bij zwarten, blanken of metissen leven. Ik merk echter dat dit niet mijn leven is. Ik heb geen enkele referentie. Soms ga ik naar mensen die afkomstig zijn van dezelfde stam als ik, de Bemba. Men blijft Bemba als de moeder Bemba is, zoals bij de Joden. Ik word goed onthaald, als blanke Bemba. Maar ik voel me anders. Ik zie er heel blank uit, mijn broer ziet er meer Arabisch uit. Soms denkt men dat ik Braziliaans ben, Indonesisch, Italiaans, Spaans, Grieks … Mijn grootvader, de vader van mijn moeder, was Grieks. De vader van mijn grootmoeder kwam uit Oman. Er is een tak van mij die uit Zanzibar komt, een andere tak uit Griekenland, nog een ander deel uit België. Italianen noemden mij Luciano. Mijn ex-vrouw was Mexicaanse en noemde mij Lusiano. Luciamo kan vele vormen aannemen.


Ik heb gezien hoe mensen kunnen liegen, hoe ik werd voorgelogen, hoe de leugen overal was. Toen ik ontdekt heb dat mijn echte moeder Afrikaans was, was ik twaalf jaar. Ik ben in regressietherapie gegaan. Ik ben teruggekeerd tot mijn geboorte. Veel beelden zijn teruggekeerd, beelden die ik lang verdrongen had. Het zijn deze therapieën die me geleerd hebben om mijn geschiedenis een plaats te geven. Mijn echte innerlijke reis is begonnen op de leeftijd van veertien jaar, nadat ik een paar jaar gedacht heb aan de leugen waarin ik was opgegroeid. Ik was al geïnteresseerd in filosofie vanaf mijn vijftien jaar. Later heb ik me verdiept in de psychologie en de psychoanalyse. Ik las alle filosofen en psychologen. Op mijn negentiende ben ik twee jaar in psychoanalyse geweest. Daarna ben ik vertrokken naar India. Ik leefde daar in een commune, op zoek naar mijn essentie. Ik heb daar veel wijze mensen ontmoet die me veel geleerd hebben. Door meditatie heb ik vrede gevonden met mijzelf. De buitenwereld is nu minder belangrijk geworden. Na acht maanden India kwam ik terug en iemand zei : ‘Je hebt geen Afrikaanse ogen meer, maar de ogen van een Indische wijze.’ Misschien komt dit door mijn zeer grote mix dat ik de capaciteit heb om me te identificeren met heel veel verschillende culturen. Ook in Mexico zei men mij hetzelfde. Ik heb daar visioenen gehad en de sjamaan zei : ‘Je bent iemand van bij ons.’ Ik verenig in mij heel veel culturen en dat maakt me anders dan anderen. Later heb ik me verdiept in de psychologische antropologie. Ik las Lévi-Strauss. Ik interesseerde me voor traditionele volkeren. De Bemba is een oud volk met een interessante geschiedenis. Ik heb die geschiedenis bestudeerd. Ik heb veel over mezelf geleerd door mij te verdiepen in die Afrikaanse filosofie. In die tijd leerde ik de gouverneur van Katanga kennen die van dezelfde stam was als ik. Hij heeft mij veel dingen geleerd over mijn familie.
Toen ik me ging inschrijven in het secundair onderwijs moest mijn vader officiële papieren tonen, zoals mijn geboorteakte. Ik ontdekte toen dat ik eigenlijk een andere naam had, een Afrikaanse naam. Toen moesten ze het me vertellen. Heel vlug kwamen de herinneringen boven aan mijn Afrikaanse moeder. Met mijn vader viel niet zo gemakkelijk te praten. Hij was gesloten en streng. Na zijn dood heb ik in een lade een foto gevonden van mijn moeder. Toen wilde ik haar graf gaan zoeken. Ik had alleen een naam, de foto van mijn moeder, de plaats van mijn geboorte en de stad waar ik het laatst gewoond had. Ik ben naar Lubumbashi gegaan, maar heb daar niets gevonden. Daarna ging ik naar Kolwezi, waar ik ook niets vond. Ik ging dan terug naar Likasi. Ik bezocht daar de oude burgemeester, maar vond niets over mijn moeder. Op een dag wandelde ik in Likasi, toen plots een auto naast me stopte. De chauffeur zei : ‘Ga naar daar, drie huizen verder, daar wonen Griekse metissen. Uw moeder was een van hen.’

 La famille

La famille

Daar vond ik een vriendin van mijn moeder. Daarna heb ik alles kunnen reconstrueren. Ik vond de wereld van mijn moeder en alle verhalen. Ik werd voorgesteld aan een nichtje van mijn moeder die veel vertelde. Ik ontmoette een heleboel familieleden. Belangrijk was de ontmoeting met Alice Kosta. Ze had een van de eerste verenigingen opgericht voor de mulatten in Congo. Zij bezorgde me de link naar mijn doopmeter, de beste vriendin van mijn moeder, die in België woont. Ze heeft de Angolese nationaliteit en kent nog veel verhalen. De Griekse kant van mijn familie ken ik niet. Mijn grootvader wilde zijn dochter niet erkennen, hij was immers al getrouwd. Hij heeft geld gegeven, en dat is alles. Mijn moeder heeft haar vader dus nooit gekend en is opgegroeid bij haar moeder. De mensen feliciteerden me allemaal omdat ik van Europa naar Afrika was gekomen, op zoek naar het graf van mijn moeder. Voor hen was dat het bewijs dat ik een Afrikaans hart had. In het hotel kreeg ik gratis eten gedurende mijn verblijf omdat de eigenaar zodanig geraakt was dat ik naar het graf van mijn moeder zocht. Ook in Zanzibar lokte ik dezelfde reactie uit. Ze hebben er zelfs een tv-uitzending aan gewijd. Ze vonden het ongelooflijk dat een blanke man het toch belangrijk vond om zijn zwarte achtergrond op te zoeken in Afrika. Ze begrepen niet waarom. Ze redeneren dat de blanken toch alle voordelen hebben, wat zoek ik dan aan de zwarte kant ?

Ik ging naar de begraafplaats, maar men wist niet meer precies welk graf het was. Ik heb er dan maar één uitgekozen om een plek te hebben, een symbolische plaats van haar graf. Daar heb ik haar fotootje begraven. Ik heb veel gereisd en voel het verschil met andere mensen die nooit gereisd hebben. Ze hebben doorgaans een meer bekrompen geest. Ik heb getracht mezelf te zoeken door alle culturen die ik in mij heb te verenigen, door te zoeken naar de essentie van de mensheid in het algemeen. Met mijn broer heb ik niet zo’n goede relatie. Voor hem ben ik gek omdat ik mijn hele leven de wereld rond liep en rare ideeën heb over mijn Afrikaanse roots. Maar ik zie het als een kans om soepel te bewegen tussen culturen, tussen standpunten, om verschillen te verenigen in mezelf. Het is interessant om te zien hoe de Belgische metissen een plaats opeisen. Metissen worden niet erkend in België. Na de dekolonisatie heeft men Congo achtergelaten. In België ziet niemand nog de koloniale achtergrond. Belgisch Congo bestaat niet meer en dus de metissen ook niet. Dat maakt het voor metissen moeilijk. Ook bij Obama voel je dat. Ook hij heeft die capaciteit ontwikkeld om tegengestelden te verenigen. Hij is metis. Hij heeft geleefd in Indonesië, zijn vader is moslim. Hij heeft geleerd om uiterste standpunten vanuit verschillende hoeken te bekijken. Dat opent wegen naar de toekomst.