Eén familie, ondanks alles

Vijf kinderen van dezelfde Belgische vader, die hij bij drie verschillende Rwandese vrouwen verwekte, kwamen in ons land terecht, elk in een ander pleeg- of adoptiegezin. Stukje bij beetje vonden ze elkaar en hun eigen geschiedenis terug.

Veerle Beel
De Standaard 16 juni 2010

 

familie_thomasvanaute.jpg

Henri Van Damme(61), zoon van Florent Van Damme en Melanie.

Vraag Henri aan wie hij denkt als het woord ‘familie' valt, en hij aarzelt niet: ‘Aan mijn vader! Ik heb hem altijd graag gezien. En ook aan mijn broers en zussen en hun kinderen.' Henri, Lucy en Luc zijn kinderen van dezelfde moeder, een jonge Rwandese prinses, voor wie hun vader een koe als bruidsschat betaalde. Net als een paar honderd andere métissen belandden ze in het internaat van de Witte Zusters in Save, op zo'n 120 km van Kigali.

‘Een pater had tegen vader gezegd dat het beter was om ons daar naar school te sturen. Maar we gingen wel heel vaak naar huis, in Kigali. Vader heeft ons erkend en we kregen zijn naam. Dat deden veel andere blanken niet. Ze schaamden zich. Ik zie niet in waarom ik boos op hem zou moeten zijn. Lucy en ik hebben heel veel liefde van hem gekregen. Hij stuurde ons naar België omdat er een oorlog dreigde. In het busje op weg naar het vliegtuig moesten we op de grond liggen, omdat er buiten geschoten werd. Ik zag lijken liggen langs de weg. Men vreesde dat wij, halfbloeden, na de onafhankelijkheid vermoord zouden worden. Vader heeft ons uitgewuifd. Hij zei dat we goed moesten studeren, en dat hij ons achterna zou komen. Ik zie hem nog staan. Ik heb lang op hem gewacht, maar in 1970 is hij in Kigali gestorven.'

‘De reis naar België duurde drie dagen. Er waren zusters mee om voor de vele kleintjes te zorgen, maar ik moest voor Berrie zorgen. Hij was nog niet zindelijk. Altijd maar zijn poep afvegen! In Melsbroek werden we uit elkaar gehaald. Daar stonden al die pleegouders te wachten. Die van mij waren te oud om de verplaatsing naar Brussel te maken. De volgende dag brachten de zusters mij naar Zele. Mijn ouders waren zestig, kinderloos en erg vroom. Ik was elf en mocht ineens niets meer. Ze hádden ook niets. Vader had in Kigali een bad en een grammofoonspeler. In Zele wasten we ons in een kuip en wisten ze niets van muziek of cinema. Ik was echt wel met mijn gat in de boter gevallen!' (lacht)

‘We kwamen aan op 17 juni en op het eind van de maand behaalde ik 49 procent in het zesde studiejaar. O, wat was ik verliefd op juffrouw Lutgart, ze zorgde zo goed voor mij. Maar ze dachten dus dat ik niet slim was en stuurden mij naar de vakschool. Ik wilde Latijn leren, maar het werd kleermaker. Later ben ik in de metaalsector gaan werken, bij General Motors – een goeie baan.'

‘Zeven jaar ben ik in Zele gebleven. Van mijn ouders mocht ik bijna nooit naar buiten, behalve als ik de mis diende. Ik, die in Afrika zo vrij als een vogeltje was. Na zeven jaar was het niet meer te houden. Pater Delooz, van de Vreugdezaaiers, die ons naar België hadden gehaald, heeft mij toen een tijdlang onder zijn vleugels genomen. Ik heb ook een jaar lang bij het adoptiegezin van Yuki gewoond. Die mensen waren schatten. Ik ben van daaruit getrouwd toen ik 22 was.'

‘Onze geboortemoeder heb ik nooit teruggezien. Op een dag, toen we thuiskwamen uit Save, was ze verdwenen. Toen ik vader om uitleg vroeg, zei hij dat hij haar had weggestuurd omdat ze een vork en een mes had gestolen. En we aten niet eens met bestek!'

‘Jaren later, ergens in 1994, zat ik met mijn maat Swa in het café, en ineens moest ik huilen. Ik zei: ‘Het is onze moeder. Ze is er niet meer, ik voel het.' Een paar weken later hebben we bericht gekregen dat ze gestorven was. Het had ook ons kunnen overkomen. Toch was ik liever daar gebleven, veel liever. Ik mis mijn jeugd nog elke dag. Het was de mooiste tijd van mijn leven. Als je zoveel liefde en warmte krijgt en vervolgens verliest, blijf je daar je leven lang naar op zoek. Het is misschien daarom dat ik in mijn huwelijk en in volgende relaties nooit veel geluk heb gehad.'

2. Lucy

Lucy Van Damme (58), dochter van Florent Van Damme en Melanie.

Lucy kwam terecht in Jette, in een gezin met zeven kinderen. Op 25 juli 1960 duikt ze op in een artikel in deze krant van de hand van Tilly Stuckens, getiteld: ‘Angst bij zwarte meisjes in ons land. Maar kleine mulatten gelukkig in hun nieuw gezin.' De reporter noteert dat de kleine Lucienne aan haar pleegmama heeft gevraagd: ‘Maar als u sterft, wie moet er dan voor mij zorgen?' Een paar maanden later sterft de vrouw in haar volgende kraambed.

‘De eerste acht jaren van mijn leven ben ik heel gelukkig geweest. Oké, we zaten in het weeshuis omdat onze vader een speciaal geval was. Hij zag de vrouwtjes veel te graag. Maar in de weekends gingen we naar huis. We hadden er een schommel. Ik kreeg er mijn eerste fietsje. Henri en ik, hij heeft ons heel veel affectie gegeven. Luc niet, hem noemde vader steevast ‘le sultan' – de kwaaie. Maar ik was zijn prinsesje.'

‘Eenmaal in Jette heb ik veel liefde opgevat voor mijn pleegmoeder. Een goed mens. Het was een drama toen ze stierf. Mijn pleegvader was heel anders. Ik vind het nog steeds moeilijk om te zeggen, maar hij kon zijn handen niet thuishouden. Hij sliep ook met zijn eigen dochter. Gelukkig kwam moeder Mathil', de adoptiemoeder van Yuki, ieder van ons zoeken. Zij heeft ons uiteindelijk ook weer samengebracht.'

‘In 1965 mocht ik van mijn pleegvader, na lang aandringen, toch eens een weekje op vakantie bij de familie van Yuki. Ik heb moeder Mathil' alles verteld. Zij heeft het gerecht gewaarschuwd en hij werd naar de gevangenis gestuurd. Alle kinderen werden uit huis geplaatst. Ik reisde van het ene pleeggezin naar het andere tehuis, en overal moest ik gehoorzamen en braaf zijn. In het tehuis werden we allemaal kaalgeschoren, vreselijk.'

‘Moeder Mathil' bleef mij bezoeken. Ten slotte ben ik bij hen gaan wonen. Vader Vercauteren, ook zo'n schat van een mens, zei dat “waar drie monden kunnen eten, er nog wel eentje bij kan”. Vijf jaar ben ik er gebleven. Ik ben ze daar nog altijd dankbaar voor. Maar ik kijk er toch heel anders tegenaan dan Yuki, die van jongs af bij hen is opgegroeid. Yuki was het eerste halfbloedje in het dorp. O, wat waren ze trots op haar! In hun ogen kon ze nooit iets fout doen. Terwijl ik mij vaak slecht begrepen voelde. Het pijnlijkste vond ik dat ze haar hebben geadopteerd zodra ze konden, en mij niet. Oké, ik was al bijna 18 jaar, maar ik voelde me toch enorm gekwetst.'

‘Yuki's echte mama kwam haar zoeken. Ik wilde mijn eigen mama in Rwanda ook graag terugzien. Ik heb nog brieven naar haar geschreven en kreeg er ook terug: mijn mama zette haar duimafdruk onder de tekst die een ander schreef. Het is altijd mijn droom geweest om naar Kigali te gaan en haar op te zoeken, maar ik mocht niet van mijn ex. Ik zei het al: ik ben veel te braaf geweest. Als het je niet aanstaat, zei hij vaak, dan ga je maar terug tussen de bananenbomen wonen!'

‘Het heeft mij jaren gekost voor ik de kracht vond om bij hem weg te gaan. Ik moest van nul af opnieuw beginnen. Bij een bekende ontwerper ben ik opgeklommen tot verantwoordelijke voor de productie. Een heel mooie baan, en de baas wilde mij niet kwijt. Maar vijf jaar geleden kreeg ik kanker. Ik denk dat ik die ziekte heb gekregen doordat ik in mijn leven zoveel heb opgekropt. Nu probeer ik het anders te doen.'

‘In mijn handtas draag ik altijd een klein fotootje van onze moeder in Rwanda mee. Ik heb geen herinneringen aan haar. Ik zie haar als mijn engelbewaarder, die ervoor zorgt dat ik me er altijd weer doorheen sla. Zij is nu eigenlijk meer in mijn gedachten dan vader, die ik toch heel graag gezien heb. Toen we uit Kigali vertrokken, stonden er drie zwarte vrouwen bij het huis om afscheid van ons te nemen. Ik vraag me af of dat onze drie moeders waren. Het kunnen ook drie huisbedienden zijn geweest. Net als Henri heb ik het gevoeld toen ze gestorven is. Zoals een hond die huilt als er op kilometers afstand iets met zijn baasje gebeurt. Zo'n pijn voelde ik in mijn borst.'

3. Luc

Luc Van Damme (56), zoon van Florent Van Damme en Melanie.

Luc is de derde in de rij, kind van dezelfde ouders als Henri en Lucy. Maar niet zo graag gezien door zijn vader, en die gevoelens zijn wederzijds. Luc neemt niet het woord ‘vader' in de mond, maar noemt hem consequent ‘Van Damme'. Ook omdat hij zijn pleeggezin, de familie Lenoir, als zijn meest intieme familie beschouwt. Luc groeide op aan de andere kant van de taalgrens. Hij is de enige die ooit is teruggekeerd en in Kigali hun moeder heeft ontmoet.

‘Van Damme is altijd heel hard met mij geweest. Mijn herinneringen aan die tijd zijn ronduit dramatisch. Ik ben nu nog altijd bang voor slangen. Omdat hij mij als kleine uk boven een grote put hield waarin een python lag. “Lucien”, zei hij, “ik ga u loslaten.” Of ik moest 's avonds in het donker buiten blijven zitten, terwijl er krokodillen in de buurt waren. Mijn herinnering aan het “weeshuis” in Save zijn gemengd: ik werd er vaak streng gestraft omdat ik nog in bed plaste. Was dat de reden waarom Van Damme mij niet graag zag? Ik heb ook horen zeggen dat hij ervan overtuigd was dat hij mijn vader niet was. Heeft hij moeder daarom weggestuurd? Wat er ook van zij, toen ik als volwassene terug in Kigali kwam, werd ik door zijn laatste huisbediende meteen herkend als een “Van Damme”. Ze dachten zelfs dat ik Henri was. We moeten toch wel een paar genen delen, zou je denken.'

‘In Melsbroek werden we gescheiden, maar ik ervoer dat niet als een schok. Er was heel veel lawaai in de aankomsthal, heel veel volk. Ik was in de wolken om al die vliegtuigen te zien, en zoveel auto's! Ik ging mee met de familie Lenoir en het voelde alsof ik op vakantie ging. Ik wist niet dat het om te blijven was. Ik wist ook niet dat het zes jaar zou duren voor ik de anderen terug zou zien.'

‘De Lenoirs hadden twee eigen kinderen, die mij echt als hun broer hebben aanvaard. Dat is uitzonderlijk. Vader was een militair en nogal streng. Maar ik was per slot een kleine wilde, die het moeilijk had met discipline. Ze leerden me netjes schrijven, beleefd spreken, ja, er was werk aan mij! Door het beroep van vader Lenoir zijn we ook dikwijls verhuisd, wat voor een adoptiekind niet evident was: iedere keer weer van school en van vrienden veranderen, telkens opnieuw de blik van de andere weerstaan. Je zag ze denken: kijk, een neger! Het heeft me sterk gemaakt.'

‘Op school ging het met ups en downs, en op mijn 16de wilde ik er de brui aan geven. Mijn vader heeft toen eens goed met mij gepraat, van man tot man. Daar ben ik nu blij om. Als onderwijzer krijg ik respect, in een samenleving die toch kritisch staat tegenover al wie anders is. Je moet altijd goed zijn, als métisse.'

‘In 1972 kwam er een brief toe voor mijn ouders. Tiens, zeiden ze, je broer Henri gaat trouwen en hij nodigt iedereen uit. Hij vraagt of jij getuige wilt zijn. Voor mij was dat een schok! Ik had al lang niet meer aan hen gedacht. De brief was bovendien in het Nederlands, en dat verstond ik niet. Mijn ouders zeiden: oké, we gaan. Om eerlijk te zijn, vond ik het jammer dat ze meegingen. Hoe kon ik mijn genegenheid uitdrukken in hun aanwezigheid? Ik was dus wat geremd, die eerste keer. Plus het probleem van de taal: terrible, er was zoveel te zeggen en we vonden er de woorden niet voor! Daarna heeft het weer járen geduurd voor we elkaar terugzagen.'

‘In 1978 ben ik met Claire, die nu mijn vrouw is, naar Kigali getrokken om er onderwijzer te worden in de Belgische school. Ik heb er ons vroegere huis bezocht, waar de laatste vrouw van Van Damme nog woonde. Ze gaf me enkele fotootjes van vroeger. De “tamtam” verspreidde het nieuws en op een dag stonden drie mensen bij mij aan de deur. Twee mannen vroegen: C'est vous, Van Damme? Toen ik oui zei, viel de vrouw mij om de hals. Ze was klein en elegant, ze was mijn moeder en we spraken elkaars taal niet.'

‘We hebben elkaar meerdere keren ontmoet. Ze gaf me twee speren cadeau en ook een keer twee kippen. Als ze bij ons kwam eten, deed ze alsof ze thuis was. Na het eten liet ze een flinke boer. Ze wilde dat ik een huis voor haar kocht. Ik, met mijn Europese mentaliteit, had het daar erg moeilijk mee. Ik heb ook de moeder en halfzus van Berrie ontmoet, die mij kwamen vragen hoe het met hem ging. Maar ik had Berrie in België maar één keer teruggezien. Feit is dat al die moeders die hun kinderen moesten afstaan, in shock achtergebleven waren. Men zegt dat er tientallen vrouwen op de heuvels rond Kigali stonden te kijken toen ons vliegtuig opsteeg. Dat is een grote wonde geweest voor die hele gemeenschap.'

‘Na negen jaar zijn Claire en ik teruggekeerd. Ik ben gelukkig hier, met mijn vrouw en kinderen, maar de warmte van Afrika mis ik nog altijd. On est bien ici, maar op het eerste gezicht blijven we vreemden. Hier niet blank, daar niet zwart, eigenlijk nergens thuis. Ik heb veel respect voor vader Lenoir, omdat ik veel aan hem te danken heb. Maar ik heb er zelf niet om gevraagd om geadopteerd te worden. Moet je dankbaar zijn voor iets dat je zelf niet gekozen hebt?'

4. Berrie

Berrie Jacobs (52),geboren als zoon van Florent Van Damme en Philomène. Geadopteerd door de familie Jacobs uit Dilbeek.

Een zuster van Save laat per brief van 11 juni 1960 aan Berries adoptieouders weten: ‘Zoals u op zijn papieren ziet, is de jongen herkend (sic) door zijn vader en dit op 't laatste nipken. De kleine leefde tot voor een maand bij zijn moeder, 't is zo dat hij niet veel afwist van proper zijn. Ik zou hem graag nog een paar maanden hier houden om hem verder te beschaven, maar het vliegtuig vertrekt wedereens op het onverwacht.' En ook dat het ‘een heel lief baasken' is.

‘Toen ik naar België kwam, heette ik nog Florent Van Damme. Ik had blijkbaar zijn naam gekregen toen hij mij erkende. Volgens mij hebben de zusters in Save mij de naam Bernard gegeven. Misschien omdat mijn moeder mij zo noemde? Uit de korte briefwisseling die er tussen mijn adoptieouders en mijn vader is geweest, blijkt dat hij daar even van opkeek. Hij schrijft: “Ik wist niet dat de kleine nu Bernard heette, maar voor mij is dat goed.” In het eerste studiejaar werden alle namen afgeroepen en ik reageerde niet toen ‘Florent Van Damme' aan de beurt was. Dat ben jij, zeiden ze. Wat een schok! Officieel is mijn naam maar veranderd door de adoptie, na de dood van Van Damme, in 1971.'

‘Ik weet nog dat ik thuiskwam en dat moeder zei dat er iets met mijn vader was gebeurd: “Hij is dood.” Ik begreep het niet: ik had mijn adoptievader net zien wegrijden. “Je andere vader”, zei ze. Ik haalde mijn schouders op. Mij kon het niets schelen. Ik had geen enkele herinnering aan hem. De zuster en mijn adoptieouders hadden alleen maar slechte dingen over hem verteld. Ik mocht dankbaar zijn dat ik ontkomen was aan een ellendig leven bij zo'n vader!'

‘Als ik naar Henri en Lucy luister, krijg ik toch een heel ander beeld. En dan Luc zijn ervaringen: het is zo tegenstrijdig allemaal. Ze zeiden dat hij naar ons niet meer zou omzien, omdat hij al zo oud was, maar uit zijn brieven spreekt toch weer een ander verhaal. Daar vraagt hij aldoor naar ons. En het feit dat hij altijd met jonge meisjes aanpapte: hij was al 66 toen hij Yuki heeft verwekt bij een meisje van 15. Wie koopt er nu een meisje voor een koe? Die man had de Eerste Wereldoorlog nog meegemaakt en had blijkbaar een heel ander wereldbeeld dan wij nu. Ik vind het bijna surrealistisch.'

‘Het grote verschil met de oudste drie is dat ik totaal geen herinneringen heb. Ik heb geen geschiedenis, en voel me dus niet verscheurd tussen culturen of continenten. Ik voel niet het verdriet dat Henri en Lucy hebben, en Luc toch ook. Het is misschien daarom dat ik mij het meest verwant voel met Yuki, die als baby naar België is gekomen. We bellen elkaar vaak. Sommigen van de andere Van Dammes had ik voor deze reportage al jaren niet meer gezien of gehoord. We zeggen elke keer dat we meer moeite gaan doen, en als we elkaar zien, dan klikt het ook meteen. Maar daarom doen we het nog niet.'

‘Als ik aan mijn familie denk, dan in de eerste plaats aan de Jacobsen, aan mijn broer Peter en mijn zus Maryvonne, met wie ik ben opgegroeid. Wij delen een hele jeugd in een gezin dat niet op natuurlijke wijze tot stand is gekomen, en dat daar toch een beetje de sporen van droeg. Van ons vijven ben ik ook degene die het minst weet over zijn geboortemoeder. Ik weet dat ze Philomène heette en verder helemaal niets. Wie was ze, wat dacht ze? Ik heb toch bijna twee jaar met haar geleefd. Als ik een gemis voel, dan heeft het daarmee te maken.'

5. Yuki

Yuki (50), dochter van Florent Van Damme en Séverine, geadopteerd door de familie Vercauteren uit Kruibeke.

Yuki was te jong om in juni 1960 mee te komen met het vliegtuig vol métissenkinderen. Haar vader slaagde erin om haar in september mee te sturen op een lijnvlucht naar Brussel. Ze was amper een half jaar oud. Van alle vijf heeft Yuki het meest vrede met haar adoptiegeschiedenis.

‘Ik herinner me nog de dag dat Lucy bij ons kwam wonen. Ik was vier of vijf, en er lag een dik pak sneeuw. Het was kort voor haar verjaardag: in december werd zij dertien. Later kwam Henri er ook nog bij. Als Berrie zijn communie vierde, gingen wij daar naartoe en hij kwam ook naar die van mij. Ik heb altijd geweten dat ik nog broers en een zus had, ook al woonden ze niet altijd, en niet allemaal, bij mij. Ik voel me niet verscheurd tussen een verleden in Afrika en een leven hier. Ik heb alleen dat laatste. Ik ben intussen ook heel blij dat ik Afrikaanse roots heb. Maar ik geloof niet dat je bij je eigen ouders moet opgroeien om gelukkig te worden. Het belangrijkste is dat je opgroeit bij mensen die van je houden.'

‘De band met mijn adoptiemoeder was niet perfect, maar ik heb me altijd geliefd gevoeld. Ik was meer een vaderskindje en dat heeft niets te maken met geadopteerd zijn. Mijn zus Lucy beantwoordde veel beter aan het beeld van de ideale dochter. Ik weet dat zij er anders tegenaan kijkt, maar ik heb altijd het gevoel gehad dat ons moeke en Lucy heel close waren.'

‘Mijn grote geluk is dat ik mijn verhaal ken. Dat ik het altijd heb gekend. Voor zover ik begrijp, heeft mijn geboortemoeder mij altijd gezocht, van toen ik klein was. Mijn adoptieouders vreesden zelfs dat ze mij zou komen halen. Uiteindelijk heeft ze tot mijn 18de verjaardag gewacht om contact te zoeken.'

‘Een jaar of vier, vijf later ben ik mijn “mama Congo” in Frankrijk gaan opzoeken. Die eerste ontmoeting was veel emotioneler voor haar dan voor mij. Ik kon alleen nuchter denken: is ze dat nu? Voor het eerst herkende ik iets van mezelf, maar toch vooral in die ene kinderfoto die in haar woonkamer tegen de muur hing: dat leek wel een foto van mij! Het bleek een van haar andere kinderen te zijn. Ze had hun niet verteld wie ik was. Annie, mijn oudste halfzus die toen 14 was, heeft achteraf gezegd: Tiens, maman, on dirait que Yuki est quelqu'un de la famille! Met Annie heb ik nog altijd contact en ook met mijn jongste halfzus Anne-Claire. We bellen of mailen elkaar wekelijks. Grappig: Annie heeft in Kigali nog les gekregen van Luc. Mijn zus heeft dus les gekregen van mijn broer, en toch zijn ze geen familie van elkaar.'

‘Officieel ben ik geen familie van de Van Dammes of van Berrie, en ook niet van mijn halfzussen aan moederskant. Ik ben een Vercauteren, en ik voel me ook zo. Maar als ik dood zou vallen, en de overheid wil mijn familie waarschuwen, bij wie komen ze dan uit? Ik heb in werkelijkheid een veel grotere familie dan volgens de officiële versie. De zoon van Annie bijvoorbeeld, die nu in Togo woont, weet niet beter dan dat ik zijn tante ben, zijn tata. Hij komt elk jaar naar Antwerpen. Voor mij staat hij op hetzelfde niveau als de kinderen van mijn familie in België.'

‘Mijn “mama Congo” heb ik de jongste jaren niet meer teruggezien. Ik heb daar nu niet meer zo'n behoefte aan. Zij is natuurlijk erg getraumatiseerd door wat mijn echte vader haar heeft aangedaan. Ze was nog maar vijftien toen hij haar zwanger maakte en vervolgens pakte hij ook nog haar kind af! Ze is nog een keer naar Antwerpen gekomen om ons alle vijf te zien. Wat ze over onze vader vertelde, was hard. Sommigen van ons vonden dat bijna ondraaglijk. En weet je, het is ook ons verhaal niet meer. Wij hebben hier nu elk ons eigen leven.'

Lees het interview met mama Congo volgende week woensdag in de  Standaard van 16 Juni.